Een meerderheid is ook niet alles

Is het wetsvoorstel van Halsema niet eigenlijk een heel beperkt lapmiddel voor een groot hiaat?[1] In vele democratische rechtstaten, in onze directe en minder directe omgeving, kent men sinds jaar en dag een Constitutioneel Hof.[2] Via een dergelijk Hof wordt het belang onderschreven van grondrechten, die verheven zijn boven het politieke tijdsgewricht en onder alle omstandigheden aan burgers moeten worden gegarandeerd. Nederland kent een dergelijk instituut niet, en nu wordt slechts een ‘hapsnap’ verbetering in het bestaande bestel bepleit door grondwettelijke toetsing. De durf om een geheel nieuw orgaan in te richten, is er (nog) niet; constitutionele toetsing moet ons een doekje voor het bloeden bieden.

Laten we een (bloedig) voorbeeld nemen. Het strafrecht, het recht dat doorgaans het meest in grondrechten ingrijpt, staat de laatste tijd volop in de belangstelling. De zaak Wilders springt eruit. Deze politicus, die als verdachte in een strafzaak is betrokken, heeft de dubbelrol van verdachte én politicus gekregen. Deze Dr Jekkyl and Mr Hyde-achtige rol[3] gebruikt hij met verve als hij de rechtsgang beticht van “maffiapraktijken”.[4] Weliswaar mag Wilders zich als verdachte kritisch uitlaten over de strafzaak waarin hij is gedaagd, maar behoort hij zich als verantwoordelijk politicus van uitspraken te onthouden die het vertrouwen in de rechtspraak ondermijnen. Maar het onderscheid tussen de twee rollen die Wilders vervult, wordt niet gemakkelijk gemaakt; er komt immers geen figuurlijk zwart balkje voor Wilders’ ogen als hij, in de hoedanigheid van verdachte, zijn eigen strafzaak bekritiseert.

Op kritiek van Wilders wordt vaker gereageerd met grote woorden en concepten zoals ‘De rechtstaat’. Hoewel ook kleine kritiek in potentie gevaarlijk en ondermijnend voor de rechtstaat kan zijn, lijkt vaak sprake van een overreactie die weinig doel treft door de grootte van de ingeroepen belangen. Dat terwijl er toch weinig mensen zullen zijn die de rechtstaat willen opdoeken. Een dusdanig abstracte reactie op kritiek op de rechterlijke macht kan bovendien ten minste de schijn wekken dat geen goede respons kan worden geformuleerd. En die schijn wordt niet weggenomen door te vervallen in de reactie dat de boodschap op zich goed is, maar niet goed overkomt. Een goede boodschap laat zich goed verpakken, niet andersom.

Recentelijk kreeg deze externe kritiek weerklank in kritiek van binnenuit. Rechter Otte heeft met zijn “De nieuwe kleren van de rechter”[5] een proactieve, zelfkritische houding aangenomen. Hoewel daarmee niet is gezegd dat zijn kritiek op alle punten terecht hoeft te zijn, kan ten minste worden gezegd dat hij niet ex post reageert op kritiek van buitenaf.

Wat daarvan ook zij, soms lijkt het wel dat, alternatief en cumulatief, het laatste heilige huisje wordt “gekraakt”. De rechterlijke macht was tot nog toe geen doelwit van kritiek. Na de leraar, de politicus en de arts, is nu echter ook de rechter aan de beurt, zo lijkt het.[6] Een verregaand democratiserings- en emancipatieproces hebben als onmiskenbaar gevolg dat ook het vertrouwen in deze laatste “autoriteit” niet langer zonder meer is gegeven. Misschien ook wel terecht; vertrouwen moet worden verdiend en het volstaat niet om louter te stellen dat vertrouwen zou moeten bestaan. Rekenschap afleggen, voor en na kritiek, kan dat vertrouwen versterken.

Terug naar constitutionele toetsing in geval van strafrecht. Wij zijn voorstander, en willen zelfs nog wel een stapje verder gaan. Zou het niet mooi zijn als de Nederlandse burger een individueel klachtrecht zou krijgen waarmee toetsing van het strafrecht aan individuele rechten van de direct betrokkene mogelijk wordt gemaakt?[7] Zou dat niet de ultieme toets zijn, die gekanaliseerd wordt binnen de grenzen van de rechtstaat, waarmee de burger kan afdwingen dat zijn grondrechten te allen tijde worden gegarandeerd? Zo krijgt de individuele burger vertrouwen omdat het bij meerderheid tot stand gekomen strafrecht de constitutionele toets weerstaat. Een meerderheid in het parlement is immers ook niet alles…

Jill Coster van Voorhout en Rianka Rijnhout


[1] Wetsvoorstel 28 331.

[2] F.R. Romeu, The Establishment of Constitutional Courts: A Study of 128 Democratic Constitutions, Review of Law & Economics, Vol. 2., Iss. 1, 2006, pp. 103-134.

[3] Naar het boek van R.L. Stevenson, overigens zonder enige andere connotatie dan de dubbelrol die het hoofdpersonage heeft.

[4] Aldus de Tweet van Wilders d.d. 22 oktober 2010: “Dagblad de Pers: Raadsheer Schalken van Hof Amsterdam probeert getuige-deskundige Hans Jansen tijdens diner te beïnvloeden. Maffiapraktijken.” Zie onder meer het artikel Wilders: maffiapraktijken bij raadsheer in de Volkskrant van 22 oktober 2010.

[5] R. Otte, De nieuwe kleren van de rechter, Achter de schermen van de rechtspraak, Amsterdam: Boom, 2010.

[6] Over vertrouwen in de rechtspraak zie bijvoorbeeld P. Dekker, C. Maas-de Waal & T. van der Meer, Vertrouwen in de rechtspraak. Theoretische en empirische verkenningen voor een monitor. Werkdocument 102, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau 2004; P. Dekker &  T. van der Meer, Vertrouwen in de rechtspraak nader onderzocht, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau 2007.

[7] Deze suggestie is naar Zuid-Amerikaans voorbeeld van de ‘tutela’ bij verschillende Constitutionele Hoven, zoals het Colombiaanse Corte Constitucional, maar voor dit individuele klachtrecht kan ons inziens ook ruimte worden ingericht bij (voorlopig) de Hoge Raad.